Ik wil je echt zien

In de rij voor het lunchbuffet begint de man achter mij likkebaardend te hummen. Hij deelt spontaan waarom hij blij wordt: de aanblik van de schalen met rijst en groentesaus herinnert hem eraan dat hij die avond geen tijd zal hebben om thuis te eten, omdat hij naar het theater gaat. En nu kan hij onverwacht toch nog lekker en verantwoord eten. Ik wil natuurlijk weten welke theatervoorstelling hij zal bezoeken. En van zijn antwoord word ik dan weer heel blij. Een mentorleerling van hem gaat het podium betreden. Een joch dat nog maar drie weken in zijn klas zit, en met wie het nog niet zo goed lukt om hem te leren kennen. Zijn andere mentorleerlingen lieten zich makkelijker lezen: in een kennismakingsgesprekje kwam hij al van alles te weten en ontstond er een band. Maar deze jongen had weinig tekst. In de klas was hij totaal onopvallend. Het enige dat de docent te weten was gekomen was dit optreden van vanavond. En dus heeft hij de avond vrij gemaakt om te gaan kijken. “Ik ben zo benieuwd welke kanten ik van hem te zien krijg vanavond.”

Hoe mooi dat een mentor een stil en onopvallend kind écht wil zien. Niet in een problematisch gesprek waarin benadrukt wordt hoe dit joch afwijkt van de groep: “Wat ben je stil, waar denk je aan?” Maar door tijd vrij te maken en contact te maken met de hobby van het kind. Met wat voor de jongen van waarde is. Hoe hij ‘on stage’ is.

Deze ontmoeting bij het lunchbuffet vindt plaats tijdens een opleidingsdag, waar ik een bijdrage aan mag leveren. Een groep docenten verdiept zich die dag in het thema ‘breinwerking en executieve functies’. Hoe signaleer je bij leerlingen zwakke vaardigheden, zoals time-management, werkgeheugen en volgehouden aandacht? Welke manieren zijn er om die vaardigheden, die aan leren vooraf gaan, te versterken? Als kritische noot plaatste ik aan het einde van de ochtend het risico van het diagnose-remedie model. Ik probeerde een pleidooi te doen om uit te gaan van de eigenheid van ieder kind en niet alle vaardigheden op te vijzelen tot een ‘normaal’ niveau. Laat iemand ook een warhoofd mogen blijven alsjeblieft! In de rij voor het lunchbuffet mijmerde ik wat na over mijn kritische noot. Had ik teveel met een vingertje gezwaaid? Hoe had ik het meer uit de deelnemers kunnen laten komen?

Mijn mijmeringen werden verstoord door de onverwachte ontmoeting met de mentor en zijn verhaal. En weg waren mijn zorgen of mijn boodschap wel was overgekomen. Ik mag nog veel meer vertrouwen op de deskundigheid van docenten en mentoren. Ik hoef niets meer of minder te doen dan te faciliteren dat mooie verhalen gedeeld worden. Of het nou tijdens het programma is of in de lunchpauze. Oké, met een beetje theorie dan over het belang van eigenheid en gezien worden. Kers op de taart is toch wel werkelijk dat we elkaar voor het eerst sinds anderhalf jaar weer in een conferentiecentrum in het echt kunnen zien. Dat toevallige gesprekjes weer kunnen ontstaan. Wat heb ik dat gemist met online werken. Enthousiast neem ik nog een extra kaaswrap van het buffet en besluit vanavond nog kaartjes te reserveren voor een theatervoorstelling. Het kan weer! En wie weet wie ik daar ‘on stage’ én in de wandelgangen in het echt zie.